Naamvallen in het Duits

Het correcte gebruik van de vier naamvallen wordt door veel mensen gezien als het meest lastige onderdeel van de Duitse taal.

De regels rondom de toepassing van de eerste naamval, Nominativ, zijn het meest eenvoudig. Wie onthoudt dat zowel het onderwerp, als het naamwoordelijk deel in een zin de eerste naamval kent, hoeft zich eigenlijk verder niet druk te maken. De aanduiding van bezit, die in het Nederlands simpelweg leidt tot een toevoeging van “van”, of door te spreken van “mijn, “haar”, “ons” of andermans bezit, heeft in de Duitse taal grotere gevolgen. Het gebruik van die tweede naamval, Genitiv, leidt hier zowel tot een vervoeging van het eventuele lidwoord, als van het zelfstandig naamwoord.

Datzelfde geldt bij de toepassing van de meewerkende vorm of derde naamval, Dativ, en de lijdende vorm of vierde naamval, Akkusativ. Om het nog lastiger te maken, kent de Duitse taal een aantal voorzetsels, waaraan standaard de tweede- , derde- of vierde naamval gekoppeld is. Bovendien brengt het gebruik van bepaalde werkwoorden, ook automatisch de keuze voor Dativ of Akkusativ met zich mee.

Oefening baart kunst, en de opdrachten die helpen de naamvallen en de daarbij behorende vervoegingen correct te gebruiken, vindt u hier.

Overzicht online oefeningen

De accusatief (4e naamval) (21 vragen)
De Datief (3e naamval) (21 vragen)
De nominatief (1e naamval) (16 vragen)
De genitief (2e naamval) (20 vragen)
Accusatief of datief (22 vragen)
Accusatief of nominatief (21 vragen)
Nominatief, accusatief of datief (22 vragen)
Alle naamvallen (13 vragen)
Voornaamwoorden (accusatief) (24 vragen)
Voornaamwoorden (datief) (21 vragen)
Voornaamwoorden (nominatief) (17 vragen)
Voornaamwoorden (genitief) (16 vragen)

exercices à cases vide
exercices à choix multiples