Toekomende tijd I (Futur 1)

De Futur 1 wordt in het Duits gebruikt om een plan in de toekomst uit te drukken. Bijvoorbeeld: “Morgen zal ik naar Duitsland gaan.” Je maakt deze Futur als volgt: vorm van “werden” + infinitief. De vertaling van bovenstaande is dus: “Morgen werde ich nach Deutschland gehen.”

De Futur 1 kun je echter ook gebruiken om een vermoeden (in het heden of in de toekomst) uit te drukken. Zo druk je met de zin “Er wird wohl immer noch so nett sein” het vermoeden uit dat “hij vast nog steeds zo aardig is”.

De Futur is geen moeilijke tijd, wel is belangrijk dat je goed de vervoegingen van het werkwoord “werden” kent.

Oefeningen

Vorbeeld: Morgen werde ich 18 und alle meine Freunde werden mit mir feiern.
1.) Meine Eltern morgen wandern gehen, ich aber nicht mitgehen.

2.) Mein Bruder mich besuchen, deshalb ich kochen.

3.) Ich feiern, leider du nicht kommen.

4.) Wir uns wiedersehen. Weißt du schon, wann du hier sein ?

5.) Morgen ich früh . [aufstehen]

6.) Wann du nach New York ? [fliegen]

7.) Meine Freundin ein Buch . [schreiben]

8.) Meine Schwester und ich morgen in die Schule . [gehen]

9.) Es morgen regnen, deshalb ihr nicht kommen.

10.) Sie kennen nicht den Weg. sie ? [ankommen]

Controleer antwoorden >>

Alle oefeningen van "Werkwoordstijden"